|
|
||||
|
Heraldische Wapens in de Nederlanden |
||||
|
|
||||
|
|
||||
|
Heraldische Wapens Historische
Geslachtswapens Heraldische
Wapenkunde Heraldische
Wapenregisters |
|
Van
HEECKEREN |
||
|
- |
||||
|
|
||||
|
|
Wapenschild: In goud een rood
kruis. Helm: Aanziend, gouden helm. Helmteken: Een gouden hoed
met opgeslagen rode rand, waarop twee struisveren, rood en goud. Dekkleden: Rood, gevoerd van
goud. Schildhouders: Twee omziende
gouden griffioenen, rood getongd, de staart en tong pijlpuntig. Het geheel
geplaatst op een gouden arabesk. |
|||
|
|
||||
|
VAN
HEECKEREN
|
||||
|
„Bijna geen geslacht
is voor de geschiedenis van Gelderland en bijzonder van het Graafschap
Zutphen zoo belangrijk als dat van Heeckeren" verklaart met
volkomen juistheid de heer w. DE HAAS in zijne voortreffelijke verhandeling
over het Geslacht van Heeckeren
1), die wij in dit overzicht als onzen
besten leiddraad volgen. Hij wijst te gelijk op de moeilijkheid die aan het
opstellen eener geregelde geslachtslijst verbonden is, vooral wat de oudste
tijden betreft, doch geeft de zeer begrijpelijke reden daarvan op als hij
zegt: „Hoogst waarschijnlijk is het, dat in den strijd der Heeckerens en Bronckhorsten,
waarbij natuurlijk de leden van dit geslacht het meest betrokken waren en
hunne sloten en kastelen aan de hevigste aanvallen der tegenpartij bloot
stonden, de destijds bestaande familiepapieren zijn te niet gegaan." Volgens dezen
schrijver is het buiten twijfel dat de naam , die oudtijds Heker
of Hekeren
werd geschreven, ontleend is aan de voormalige heerlijkheid Hekeren bij Emmerik, door professor A.
DEDERICTI in zijne Annalen von Emmerich eene
baanderheerlijkheid genoemd. Zij schijnt de tegenwoordige gemeenten Hüthüm, Millingen en Bienen
omvat en zich tot de Emmeriksche en Bergsche grenzen uitgestrekt te hebben. DEDERICII is van meening, dat het slot gestaan heeft ter plaatse waar nog
in 1758 het Pannenhuis aanwezig was, halfweg den Elterberg
en Emmerik. Denkelijk is die
heerlijkheid reeds vroeg verbrokkeld, want slechts enkele der eigenaren zijn
bij name bekend. In de heerlijkheid Hekeren lag de aanzienlijke curtis of hof Hese of Ese, die aan een tak van het geslacht den toenaam
en aanvankelijk zelfs den familienaam gegeven heeft. Een ander Hekeren was gelegen onder Dieren; een derde
Hekeren bij Steenderen (en behoorde
tot de bezittingen der van Heeckerens genaamd
van Recht er en, van welke het in leen werd gehouden door Evert de Rode van Heeckeren,
een bewijs van verwantschap tusschen van Heeckeren en de Rode
van Heeckeren, daar de Heeren van hunne
goederen in onderleen gaven aan jongere zonen of bloedverwanten); een vierde Hekeren, vroeger „den hof tho Goor," lag bij het stadje Goor en is bewoond
geweest door de Rode van Heeckerens; een vijfde Hekeren
aan of bij de Niers, bij het dorp Wees, waar na
afloop van den ongelukkigen strijd met de Bronckhorsten
een of meer Heeckerens
zouden gewoond hebben. Nog moet het huis Balk, aan den weg van Kleef naar
Xanten, in der tijd ook Hekeren
hebben geheeten. Vermoedelijk is die naam
zoovele malen door Heeckerens op
nieuwe bezittingen overgeplant, als herinnering aan hun oorspronkelijk
stamhuis. |
||||
|
|
||||
|
Als nadere
aanduiding voor de eenheid der beide geslachten dient, dat in 1316 een Conradus de E'mbrica
dictus Rode van Heker
met Everhardus de Heker voorkomt onder de getuigen bij de
bevestiging der voorrechten van Emmerik door Reynald,
zoon van den Graaf van Gelre. Everardus de Hese schonk eene hoeve bij de oprichting van het klooster Bethlehem
bij Doetinchem, hetwelk tusschen 1178 en 1182 moet hebben plaats gehad. In
1231 sluit hij een vergelijk met het kapittel te Emmerik en wordt ridder
genoemd. Zijn zoon Stephanus Miles de'Hese (dus
Heer van Hese of Ese) komt nog in 1273 als getuige
voor. Deze Frederik werd
gewoonlijk van der Ese genoemd,
doch dat hij een Heecker
en was blijkt uit het zegel, dat door hem in 1333 bij de huwelijksvoorwaarden
van Gerard van Gulik en Margaretha van Gelre gebruikt werd en het kruis vertoonde met het
omschrift: S. Frederici d' Hekere militis. |
||||
|
|
||||
|
Hertog Reynald, die tot dusverre
onder den invloed van de Bronckhorsten en van zijn
oom Koning Eduard III van Engeland
gestaan had, bevond zich bij dezen in het kamp voor Calais, maar verliet dit
heimelijk, keerde naar Gelderland terug en wierp zich in de armen der Heeckerens, hetgeen de Bronckhorsten
zoozeer vertoornde dat zij zijn jongeren broeder Eduard in zijne eischen op
een deel van het vaderlijk gebied gingen ondersteunen. Hieruit ontstond in
1350 die meermalen aangehaalde oorlog der Heeckerens en Bronckhorsten,
die eene zee van rampen over Gelderland
uitstortte en, nu en dan tijdelijk afgebroken door een bestand, dertig jaren
lang het gewest teisterde. Frederik van Heeckeren of van der Ese
beleefden het einde niet, want hij overleed in 1357, waarschijnlijk te
Zutphen. Uit zijn huwelijk met eene van Honnepel had
hij een oudsten zoon, Frederik,
die de stamvader van het geslacht van
Rechteren werd; een tweeden, met name Evert, die met Beatrix
of Bate van Almelo, erfgename van
de heerlijkheid Almelo, huwde en wiens nakomelingschap in het laatst der 15e
eeuw uitstierf; en een derden, Johan,
die slechts een zoon Evert
naliet, welke in zijn huwelijk geen kinderen verwekte en na den dood
zijner vrouw geestelijke werd. Met den enkelen
naam Hekeren
vindt men het eerst Everhar
dus Miles de Hekeren
(alzoo Heer van Hekeren),
die, volgens eene verklaring van Otto Graaf van Gelre en Zutphen van 25 Mei 1236 goederen gelegen te
Keppel aan het klooster Bethlehem geschonken had. De stamvader van
alle thans levende personen van dit geslacht is Jacob van Heker of van Hekeren,
wiens moeder volgens haar wapen uit het geslacht van Strunckede
of van Malsburg is geweest 2). Onzeker is het van welke Hekerens
hij zelf afstamde; doch daar hij met Jan
van Hekeren van Wissink telkens
in aanraking was en op den besten voet stond, is het aan te nemen dat zij
bloedverwanten waren. Hij komt het eerst in 1380 voor met dien Jan, als zij
met verscheidene anderen Kampen ontzeggen, en koopt van hem in 1420 de
heerlijkheid Roderlo. Hij was tweemaal
geh., eerst tusschen 1404 en 1412 met Bertha
van Ampsen, die hem geene
kinderen schonk, en vervolgens in 1428 met Elisabeth van Keppel genaamd Oelde, en
moet in of vóór 1440 gestorven zijn, toen zijn onmondige eenige zoon uit het
tweede huwelijk, Evert, met
Roderlo beleend werd. Deze genoot een groot
aanzien, gelijk blijkt uit de oorkonden waarbij hij als getuige of bezegelaar voorkomt en was een ijverig verdediger van het
Geldersche stamhuis tegen de Bourgondische en Oostenrijksche annexatieplannen. Uit zijn
huwelijk met Maria Torck
sproten vooreerst Walraven, heer van Nettelhorst,
geb. in 1643, landdrost van Zutphen, lid der Ridderschap van Zutphen,
gecommitteerde ter Staten-Generaal, hoofdschout van de stad en meyerij van den Bosch, gezant aan het Zweedsche
Hof en aan verscheidene Duitsche hoven, ongeh. te Osnabruck overl. 21 Aug.
1701, en voorts Robbert en
Jacob Derk, die twee
liniën stichtten waaruit alle tegenwoordige leden
van het geslacht afstammen en die wij ter bevordering van een goed overzicht
met I.
en II. zullen aanduiden. |
||||
|
|
||||
|
Robbert van Heeckeren (zoon van Evert van
Heeckeren en van Maria Torck), heer van Enghuizen en Barlham, gedoopt
te Zutphen 7 Dec. 1650, overl. 16 Nov. 1699, was lid der Ridderschap van
Zutphen, gedeputeerde uit dat kwartier, extra-ordinaris
raad in het Hof van Gelderland en curator der akademie
te Harderwijk. Uit zijn huwelijk met Anna
Wilhelmina Cecilia van Keppel, vrouwe van Molecaten
en Kamferbeek, sproten: A. - Evert van Heeckeren
(zoon van Robbert van Heeckeren en van A. W. C. van Keppel), heer
van Nettelhorst en Molecaten,
geb. te Zutphen 12 Jan. 1693, lid der Ridderschap van Zutphen en
gecommitteerde ter Generaliteits-Rekenkamer, huwde Jacoba Judith Isabella van Rechteren,
waaruit twee zonen: 1. Adolf Jacob Hendrik van Heeckeren,
heer van Nettelhorst, Batingen
en Clooster, geb. 11 Sept. 1715, overl. 15 Sept.
1765, lid der Ridderschap van Zutphen, gedeputeerde uit dat kwartier, extra-ordinaris gecommitteerde ter Staten-Generaal en
gecommitteerde in de admiraliteiten van Friesland en van Amsterdam, geh. met
Petronella Reiniera van Lintelo. Uit dit huwelijk
de volgende zonen: b. Frederik Jan Willem Robbert van
Heeckeren, heer van Overlaer en Bisselt, geb. in 1745, overl. 25 Juli 1815, lid der
Ridderschap van Zutphen, ordinaris raad in het Hof
van Gelderland, gecommitteerde in de admiraliteit van Friesland, geh. met Sophia Geertruida Florentina Gravin van
Rechteren, waarvan kinderen. Hij werd in de Ridderschap van Gelderland
geadmitteerd bij het organiek besluit van 28 Aug. 1814, te gelijk met zijn
oudsten zoon: Adolf Jacob Hendrik
Christiaan Carel van Heeckeren, heer tot Overlaer
en Old-Oolde, geb. 8 Maart 1771, overl. 24 Sept.
1846, vroeger lid der Ridderschap van Zutphen, ridder der Duitsche Orde
Balije van Utrecht, geh. met Gerritdina
Straalman. c. Maurits Carel George Willem van
Heeckeren, heer van de Heest, geb. 15 Feb. 1752, overl. 13
Oct. 1827, ontvanger-generaal der Graafschap
Zutphen, kommandeur der Duitsche Orde Balije van'Utrecht, geadmitteerd in de Ridderschap van
Gelderland bij organiek besluit van 7 Oct. 1814. Hij was tweemaal geh.: 1e
met Judith Catharina Margaretha Idaletta Mulert, en 2e met Henrietta
Seyna Sophia von Morrien,
en liet slechts uit het eerste huwelijk kinderen na. d. Willem Robbert Jan Walraven van
Heeckeren, heer van Marhulsen, geb.
28 Maart 1754, kolonel bij de gardes du corps van den Prins van Oranje. Hij
werd bij organiek besluit van 28 Aug. 1814 in de Ridderschap van Gelderland
geadmitteerd en overleed ongehuwd 19 Juni 1830. 2. Reinhard Burchard
Willem van Heeckeren, heer van Molecaten,
geb. 25 Mei 1721, overl. 29 April 1799, luitenant-generaal der kavalerie, eerst kommandant van
Zutphen en later gouverneur van Sluis, liet na uit zijn huwelijk met Henrietta van Lintelo: a. Evert Willem van Heeckeren,
heer van Molecaten, geb. 24 April 1760,
generaal-majoor, kommandant van Zutphen, geh. met Anna Maria van de Spiegel (dochter
van den raadpensionaris Laurens Pieter van de Spiegel), doch kinderloos
overl. 14 Sept. 1819. Hij was bij organiek besluit van 28 Aug. 1814 in de
Ridderschap van Gelderland geadmitteerd. b. Robbert August Adolf Maurits Carel van
Heeckeren, heer van Molecaten, geb.
7 Juni 1770, overl. 25 Dec. 1838, luitenant-kolonel der infanterie, later commies-generaal der convooien
en licenten en ontvanger particulier te Zutphen, kommandeur der Duitsche Orde. Hij werd in de Ridderschap
van Gelderland geadmitteerd bij organiek besluit van 7 Oct. 1814 en was geh.
met Charlotta Alexandrina van Westerholt, waarvan kinderen. B. - Ludof Hendrik Burchard
Silvius van Heeckeren (zoon van Robbert van Heeckeren en
van A. W. C. van Keppel), heer van Kamferbeek, Wierse,
Waliën en Kemnade, geb.
14 Juli 1696, overl. 7 Nov. 1762, burgemeester van Groenlo, richter van stad
en ambt Doesburg, lid der Ridderschap van Zutphen, bewindhebber der
Oost-Indische Compagnie, gecommitteerde ter Staten-Generaal en ter
admiraliteit van Friesland. Uit zijn eerste huwelijk met Susanna Johanna Everdina Valck (dochter
van Adriaan Balthasar, burgemeester van Zutphen), sproten: 1. Robbert Jacob van Heeckeren,
heer van de Wierse en Kamferbeek, geb. 10 Aug.
1729, overl. 22 Maart 1795, liet uit zijn huwelijk met Maria Philippina Ernestina van Voerst
na: Ludolf van Heeckeren, heer van de Wierse, gedoopt 4 Mei 1755, overl. n Juli 1841 ,
burgemeester van Lochem, ambtman van Grave en den lande van Cuyck, hoofdschout van Borculo en daarna districts-commissaris in Gelderland. Hij werd bij
organiek besluit van 28 Aug. 1814 in de Ridderschap van Gelderland
geadmitteerd en was geh. met Margaretha
Schimmelpenninck van der Oye, waarvan kinderen. 2. Evert Ludolf van Heeckeren,
heer van Waliën en Kemnade,
geb. 22 Juni 1736, ridmeester bij de gardes du
corps van den Prins van Oranje, later burgemeester van Doesburg en Zutphen,
was geh.: 1e met Agnes
Adriana Lubbertina van Heeckeren van Brandsenburg en 2e met Margaretha Reiniera van Haeften. Bij zijn overlijden op 23 Juni 1804 liet hij
uit zijn eerste huwelijk na: a. Ludolf Frederik Hendrik van Heeckeren tot Waliën, geb. 12 Juli 1758, overl. 1 Jan.
1798, na 1795 representant van Zutphen, die bij zijne echtgenoote
Coenradina Anna van Haersolte vader was van: Mr. Evert Ludolf
van Heeckeren tot Waliën, geb. 30
Nov. 1784, overl. te Curacao 15 Juni 1838, officier
van justitie te Zutphen, later procureur-generaal in West-Indië en eindelijk
gouverneur-generaal der Nederlandsche West-Indische bezittingen, bij organiek
besluit van 7 Oct. 1814 in de Ridderschap van Gelderland geadmitteerd. Hij
huwde: 1e Petronella
Susanna Helena Lulofs, en 2e Henriette Elisabeth Ising.
Alleen uit de eerste echtverbintenis sproten kinderen. b. Walraven Robbert Evert van Heeckeren
tot Waliën, geb. 12 Juli 1759,
overl. 21 Sept. 1833, edelman van de kamer en secretaris van Prins Willem V,
kolonel bij diens gardes du corps met rang van generaal-majoor, geadmitteerd
in de Ridderschap van Gelderland bij organiek besluit van 28 Aug. 1814. Hij
was geh. met Amoena Sophia Frederika Gravin van Gronsfeld-Diepenbroick en had kinderen. |
||||
|
|
||||
|
Jacob Derk van Heeckeren (zoon van Evert van
Heeckeren en van Maria Torck), heer van Barlham en later van Enghuizen,
Roderlo, Cloese, Langen
en Brandsenburg, gedoopt 19 Dec. 1665, overl. 22
April 1749, burgemeester van Zutphen, raad en rekenmeester van Gelderland,
lid der Ridderschap van Zutphen en voorzitter van Gedeputeerde Staten. Van
zijne kinderen uit zijn huwelijk met Heilwich Charlotta
van Lynden komen hier in aanmerking: A. - Frans Jan van Heeckeren
(zoon van Jacob Derk van Heeckeren en van H. C. van Lynden), heer van
Enghuizen, Beurse, Cloese,
Langen en Suideras, geb. in 1694, overl. 12 Mei
1767, lid der Ridderschap van Zutphen, gedeputeerde uit dat kwartier,
gecommitteerde ter Staten-Generaal, ter admiraliteit van Friesland en van de
Maas, burgemeester van Doetinchem, landrentmeester-generaal
van Gelderland, curator der akademie te Harderwijk,
huwde Transisalania Charlotta Juliana Agnes Adelheid van Rechteren, en had zestien kinderen. De
oudste der zonen: Jacob Adolf van Heeckeren, heer van Enghuizen, Beurse, Cloese en
Langen, geb. 6 Juli 1724, was lid der Ridderschap van Zutphen, president van
Gedeputeerden uit dat kwartier, raad in het Hof van Gelderland, scholtus binnen en buiten Zutphen, landrentmeester-generaal
van Gelderland, gecommitteerde ter Staten-Generaal, burgemeester van
Doetinchem en curator van de akademie te Harderwijk
3).
Bij zijn overlijden op 20 Feb. 1792 liet hij uit zijn huwelijk met Charlotta Alexandrine
van Westerholt o.a. na: 1. Evert Frederik van Heeckeren,
heer van Enghuizen en Beurse, geb. 23 Dec.
1755, majoor, kommandeur der Duitsche Orde, lid der
Ridderschap van Zutphen, gecommitteerde ter Staten-Generaal en na 1815 lid
van de Eerste Kamer, onder Koning Lodewijk lid van den Staatsraad, bij
organiek besluit van 28 Aug. 1814 geadmitteerd in de Ridderschap van
Gelderland, overl. 13 Jan. 1831. Hij was geh. met Henriette Jeannette Susanna Marie Gravin van Nassau la Lecq,
vrouwe van Beverwaard en Odijk, en had o. a.: a. Hendrik Jakob Carel Johan van
Heeckeren van de Beurse, heer van Enghuizen,
Beverwaard en Odijk, geb. 6 Dec. 1785, overl. 19 Mei 1862, luitenant-kolonel
der kavalerie, lid der Eerste Kamer, geadmitteerd
in de Ridderschap van Gelderland bij organiek besluit van 16 Maart 1816. Uit
zijn huwelijk met Elisa Williams Hope
sproten kinderen. Zijn kwartierstaat bevindt zich in de Genealogische
Kwartier staten van Nederlandsche Geslachten. b. Jacob Derk Burchard
Anne van Heeckeren, geb. 30 Nov. 1791 , eerst zee-officier en later gezant te St. Petersburg en Weenen,
minister van staat. Onder dagteekening van 5 Mei
1836 nam hij George Charles Baron d'Anthès tot zoon
aan 4). 2. Lodewijk van Heeckeren, heer
van de Cloese en Langen, geb. 6 Sept. 1768,
kapitein der infanterie en later lid der Ridderschap van Zutphen, edelman van
Prins Willem V, onder Koning Lodewijk lid van het Wetgevend Lichaam en
opperjagermeester, onder Koning Willem I opperjagermeester en opperhoutvester
in de noordelijke provinciën, buitengewoon lid der Tweede Kamer in 1815, kamerheer
des Konings. Hij werd bij organiek besluit van 28 Aug. 1814 in de Ridderschap
van Gelderland geadmitteerd en overleed 19 Nov. 1831. Bij zijne echtgenoote Jacoba
Catharina Petronella du Tour had hij kinderen. B. - Assueer van Heeckeren
(zoon van Jacob Derk van Heeckeren en van H. C. van Lynden), heer
van Roderlo, geb. in 1699, overl. 13 Oct. 1767,
burgemeester van Zutphen, raad en rekenmeester van Gelderland, gecommitteerde
ter Staten-Generaal en ter Generaliteits-Rekenkamer,
curator van de akademie te Harderwijk, huwde Henrietta Johanna Elisabeth Agatha
Walrave van Laer, vrouwe van Keil, Rees,
Engelenburg en Lichtenberg. Zijn zoon: Jacob Derk Carel van Heeckeren, heer van Roderlo, Lichtenberg en Keil, geb. 31 Oct. 1730, overl.
11 Juli 1795, was lid der Ridderschap van Zutphen, ridder der Duitsche Orde
Balije van Utrecht, burgemeester van Groenlo en Zutphen, extra-ordinaris
raad in het Hof van Gelderland, gecommitteerde ter Staten-Generaal en in den
Raad van State, scholtus binnen en buiten Zutphen,
landdrost van Zutphen, opperstalmeester van den Prins van Oranje, curator der
akademie te Harderwijk. Hij huwde Johanna Juliana van Wassenaer
(dochter van Pieter, heer van Starrenburg, en van Anna Arnoldina van den
Boetzelaer) en had tot zoon: Willem Hendrik Alexander Carel van
Heeckeren,
heer
van Roderlo en Keil, geb. 12 Aug. 1774, overl. 24
Juli 1847, lid der Tweede Kamer, gouverneur van Gelderland, minister van
staat, kommandeur der Duitsche Orde, geadmitteerd
in de Ridderschap van Gelderland bij organiek besluit van 28 Aug. 1814. Uit
zijn huwelijk met Geertruida Sara
Agatha van Pabst (dochter van Johan Maurits, heer van Bingerden
en Wolfswaard, en van Sara Agatha Hop) sproten, behalve zes dochters, de volgende
twee zonen: 1. Jacob Derk Carel van Heeckeren,
heer "van Nettelhorst en Borculo, geb. 8
Feb. 1809, overl. 7 Nov. 1875, lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal en
opperstalmeester des Konings (zie zijn kwartierstaat in de Genealogische
Kwartier staten van Nederlandsche Geslachten) Hij huwde 14 Dec. 1831 Maria Cornelia Gravin van Wassenaer, vrouwe van Wassenaer,
Twickel, Lage, Weldam, Dieren, Kernhem,
Nettelhorst, Obdam, Spierdijk en Wogmeer, laatste afstammelinge van Jacob van Wassenaer, die in 1711 den titel van Graaf des H. R.
Rijks had verkregen. Zij overleed kinderloos 31 Maart 1850, na bij
testamentaire dispositie tot erfgenaam van al hare bezittingen haren
echtgenoot benoemd te hebben, die daarop den naam van Heeckeren van Wassenaer aannam. Hij trad 6 Mei 1852
voor de tweede maal in het huwelijk, en wel met Isabella Antoinetta Sloet van Toutenburg. Uit deze
verbintenis sproten: a. Maria Cornelia van Heeckeren van Wassenaer, geb. 13 Jan. 1855, geh. met Willem Karel Philip Otto Graaf van Aldenburg-Bentinck, heer van Middachten
(zoon van Karel Antonie Ferdinand, heer van Middachten,
en van Carolina Mechteld Emma Charlotte Christine Louise Gravin van Waldeck-Pyrmont) ; b. Carel George Unico Willem van
Heeckeren van Wassenaer, geb. 4 Oct.
1856, heer van Wassenaer, Twickel
en Lage; c. Rodolphe Frédéric van Heeckeren van Wassenaer, geb. 15 Mei 1858, heer van
Dieren, Nettelhorst, Borculo en Kernhem. Deze tak van Heeckeren van Wassenaer
voert als hartschild op het kruis van van
Heeckeren het gevierendeelde wapen van Wassenaer,
en tot wapenspreuk: Mutando non mutor, die der Graven van Wassenaer. 2. Willem van Heeckeren, heer
van Roderlo, Bingerden en
Keil, geb. 3 Juli 1815, lid van Gedeputeerde Staten van Gelderland, directeur
van het Kabinet des Konings, minister van buitenlandsche
zaken, lid der Tweede Kamer, geh.: 1e met Sophia Johanna Justina Taets van Amerongen,
en 2e met Albertina Maria
van Limburg-Stirum. C. - Walraven Robbert van
Heeckeren (zoon van Jacob Derk van Heeckeren en van
H. C. van Lynden), heer van Brandsenburg en Barlham, geb. in 1704, overl. 15 Juni 1758, burgemeester
van Groenlo, lid der Ridderschap van Zutphen, extra-ordinaris
raad in het Hof van Gelderland, houtvester der Graafschap, gecommitteerd ter
Staten-Generaal en ter Generaliteits-Rekenkamer, scholtus van Zutphen. Zijne eerste echtgenoote
was Johanna Sophia von dem Bussche von Hünnefeld,
zijne tweede Barbara Elisabeth de la Fontaine. Uit beide echtverbintenissen had hij kinderen,
van welke hier in aanmerking komen: 1. Jacob
Christiaan Maria Evert Albrecht (uit het eerste huwelijk), en
2. Derk Jan (uit het
tweede huwelijk). 1. Jacob Christiaan Maria Evert Albrecht
van Heeckeren, heer van Barlham en
Kruisberg, gedoopt te Zutphen 15 April 1736, overl. 4 Juli 1780, lid der
Ridderschap van Zutphen, geh. met Geertruid
Elisabeth Crommelin (dochter van Wigbold,
gouverneur van Suriname). Zijn zoon: Walraven Robbert Jacob Derk van Heeckeren, geb. 22 Feb. 1779,
overl. 29 Jan. 1837, grietman en opperstrandvonder op Ameland, had uit zijn
huwelijk met Maria Catharina Dees o. a.: Daniel Wigbold Crommelin
van Heeckeren, geb. 1 Jan. 1811, burgemeester, secretaris en
opperstrandvonder van Ameland, geh. met Metha Bakker, waarvan kinderen. 2. Derk Jan van Heeckeren, heer
van Brandsenburg en Boelesteyn,
geb. 14 Jan. 1742, overl. 7 Feb. 1796, kanunnik van St. Jan te Utrecht, geëligeerde tot de Staten van Utrecht, gecommitteerd ter
Staten-Generaal, gezant aan de hoven van Spanje en Rusland, geh. met Anna Petronella van Heemskerck. De havezathe Brandsenburg werd
door zijn hier onder volgenden zoon Walraven
Robbert verkocht, met voorbehoud van den titel. Uit het huwelijk
van Derk Jan van Heeckeren met Anna Petronella van Heemskerck sproten: a. Walraven Robbert van Heeckeren van Brandsenburg, heer van Brandsenburg
en Boelesteyn, geb. 19 Nov. 1776, overl. 23 Juli
1845, burgemeester van Utrecht, lid der Tweede Kamer. Bij organiek besluit
van 28 Aug. 1814 werd hij in de Ridderschap van Utrecht geadmitteerd. Uit
zijn huwelijk met Johanna Petronella
van Renesse van Wilp liet hij kinderen na. b. Willem Anthony Hendrik van Heeckeren
van Brandsenburg, geb. 25 Feb. 1779,
overl. 20 Jan. 1828, lid van Gedeputeerde Staten van Utrecht, in 1826
toegelaten in de Ridderschap van Utrecht, tweemaal geh.: 1e met Cornelia Sara van Renesse
van Wilp en 2e met Jeanne
Dorothea Barchman Wuytiers.
Uit beide huwelijken kinderen (men vindt in de Genealogische Kwartier
staten van Nederlandsche Geslachten den kwartierstaat van zijn kleinzoon Francois Louis, geb. 21 Oct.
1831, controleur bij de cultures in Indië, geh. met Johanna Daniela van Voorst van Beest). c. Derk Jan Gideon van Heeckeren van Brandsenburg, geb. n Aug. 1783, overl. 10
Aug. 1851, controleur der posterijen, geh. met Anna Elisabeth van Beek, waarvan nakomelingen. d. Frans Jan van Heeckeren van Brandsenburg, geb. 4 Dec. 1784, overl. 22
Jan. 1846, waardijn van 's Rijks munt te Utrecht,
geh. met Cornelia Adriana Voorduyn, waarvan kinderen. e. Carel Hendrik Augustus van Heeckeren
van Brandsenburg, geb. 25 Maart
1787, overl. 24 Dec. 1836, geh. met Anna
Maria Straalman, die hem kinderen schonk. Bij organiek besluit van 28
Maart 1815 werd hij geadmitteerd in de Ridderschap van Utrecht. |
||||
|
|
||||
|
Aan al de wettige
leden van het geslacht van Heeckeren is bij Koninklijk besluit van 26
Feb. 1819 de titel van Baron en Barones toegekend. |
||||
|
|
||||
|
NOTEN 1. Geplaatst in de Heraldieke Bibliotheek, Nieuwe
Reeks, Deel IV (1881), blz. 1 en volgg. 2. Beide
wapens bezitten eene groote overeenkomst: 3. Zijn jongste broeder was August Robbert van
Heeckeren, heer van Suideras, geb. 31 Juli
1743, lid der Ridderschap van Zutphen, raad in
het Hot van Gelderland, rekenmeester van dat gewest, burgemeester van Groenlo
en later van Zutphen, drost van Borculo, gecommitteerde ter Staten-Generaal en ter admiraliteit van Amsterdam, scholtus binnen en buiten Zutphen. Hij behoorde tot de
warme voorstanders van den Prins van Oranje en
had deswegens veel vervolging te verduren. In 1799
trachtte .hij eene tegenomwenteling te bewerken,
hetgeen mislukte. Hij overleed te Zutphen 7
Oct. 1811. Uit zijn huwelijk met Aleida Jacoba van Westrenen
sproot slechts eene dochter Charlotta Sophia, die
in den echt trad met Roelof Wolter Harmen van Broeckhuysen,
te Harderwijk (Zie hiervoren het artikel van Broeckhuysen) 4. Tot aanvulling van het artikel d'Anthès
hiervoren kan het volgende dienen, ontleend aan
de verhandeling van den heer w. DE HAAS over het
geslacht van Heeckeren: George Charles Baron d'Anthès, geb. te Colmar 5 Feb. 1812. Bij adoptie en Koninklijk besluit werd hem vergund den
naam van van Heeckeren aan te
nemen. Hij was eerst officier bij de gardes van Karel X, Koning van
Frankrijk, later bij de gardes van de Keizerin van Rusland en doodde 1837 den Russischen
dichter Pushkin, zijn zwager, in een tweegevecht.
Na dat ongeval zette hij zich in den Elzas neder en was 1848 lid van de nationale vergadering in Frankrijk en in 1852
senator van het Fransche Keizerrijk. Hij huwde N. Gantzareff, waarbij: a. Mathilde, huwt 1861 Louis Metman,
Fransch divisie-generaal; b. N. N., huwt N. Vandal,
gedurende het tweede Fransche keizerrijk staatsraad
en directeur-generaal der posterijen; c. George van Heeckeren, ridmeester
in Fransche dienst. |
||||
|
|
||||
|
|
||||
|
Uit: |
||||
|
|
||||
|
A = Adellijk wapen |
||||
|
|
||||
|
Hoewel er naar gestreefd is correcte
informatie te verschaffen, kan niet worden gegarandeerd dat de informatie op
het moment waarop deze is geplaatst na verloop van tijd nog steeds juist is.
Aan de inhoud van deze webhalte kunnen dan ook geen rechten worden ontleend. |
||||
|
|
||||