WAZAMAR

Heraldische Wapens in de Nederlanden

 

 


wp-100-algemeen-1

Heraldische Wapens
in de
Nederlanden

Inleiding
Inhoud

Historische Geslachtswapens

Inhoud

Heraldische Wapenkunde
in de
Nederlanden

Inhoud

Heraldische Wapenregisters
in de
Nederlanden

Inhoud 

Voor reacties

 

Van HEECKEREN

A

-

 

wp-van-heeckeren-260.gif


Beschrijving:

Wapenschild: In goud een rood kruis.

Helm: Aanziend, gouden helm.

Helmteken: Een gouden hoed met opgeslagen rode rand, waarop twee struisveren, rood en goud.

Dekkleden: Rood, gevoerd van goud.

Schildhouders: Twee omziende gouden griffioenen, rood getongd, de staart en tong pijlpuntig.

Het geheel geplaatst op een gouden arabesk.

 

VAN HEECKEREN
(PLAAT 35).

„Bijna geen geslacht is voor de geschiedenis van Gelderland en bijzonder van het Graafschap Zutphen zoo belangrijk als dat van Heeckeren" verklaart met volkomen juistheid de heer w. DE HAAS in zijne voortreffelijke verhandeling over het Geslacht van Heeckeren 1), die wij in dit overzicht als onzen besten leiddraad volgen. Hij wijst te gelijk op de moeilijkheid die aan het opstellen eener geregelde geslachtslijst verbonden is, vooral wat de oudste tijden betreft, doch geeft de zeer begrijpelijke reden daarvan op als hij zegt: „Hoogst waarschijnlijk is het, dat in den strijd der Heeckerens en Bronckhorsten, waarbij natuurlijk de leden van dit geslacht het meest betrokken waren en hunne sloten en kastelen aan de hevigste aanvallen der tegenpartij bloot stonden, de destijds bestaande familiepapieren zijn te niet gegaan."

Volgens dezen schrijver is het buiten twijfel dat de naam , die oudtijds Heker of Hekeren werd geschreven, ontleend is aan de voormalige heerlijkheid Hekeren bij Emmerik, door professor A. DEDERICTI in zijne Annalen von Emmerich eene baanderheerlijkheid genoemd. Zij schijnt de tegenwoordige gemeenten Hüthüm, Millingen en Bienen omvat en zich tot de Emmeriksche en Bergsche grenzen uitgestrekt te hebben. DEDERICII is van meening, dat het slot gestaan heeft ter plaatse waar nog in 1758 het Pannenhuis aanwezig was, halfweg den Elterberg en Emmerik.

Denkelijk is die heerlijkheid reeds vroeg verbrokkeld, want slechts enkele der eigenaren zijn bij name bekend.

In de heerlijkheid Hekeren lag de aanzienlijke curtis of hof Hese of Ese, die aan een tak van het geslacht den toenaam en aanvankelijk zelfs den familienaam gegeven heeft.

Een ander Hekeren was gelegen onder Dieren; een derde Hekeren bij Steenderen (en behoorde tot de bezittingen der van Heeckerens genaamd van Recht er en, van welke het in leen werd gehouden door Evert de Rode van Heeckeren, een bewijs van verwantschap tusschen van Heeckeren en de Rode van Heeckeren, daar de Heeren van hunne goederen in onderleen gaven aan jongere zonen of bloedverwanten); een vierde Hekeren, vroeger „den hof tho Goor," lag bij het stadje Goor en is bewoond geweest door de Rode van Heeckerens; een vijfde Hekeren aan of bij de Niers, bij het dorp Wees, waar na afloop van den ongelukkigen strijd met de Bronckhorsten een of meer Heeckerens zouden gewoond hebben. Nog moet het huis Balk, aan den weg van Kleef naar Xanten, in der tijd ook Hekeren hebben geheeten. Vermoedelijk is die naam zoovele malen door Heeckerens op nieuwe bezittingen overgeplant, als herinnering aan hun oorspronkelijk stamhuis.
Veel pleit er voor om aan te nemen, dat de Heeckerens voortgesproten zijn uit het geslacht van Emmerik, in het Latijn de Embrica, omtrent hetwelk de heer DE HAAS op blz. 8 tot en met 11 mededeelt wat er van bekend is. De - overigens niet aaneengeschakelde - stamlijst der Embrica's begint reeds met een Lievechimis in den aanvang der
11e eeuw.

 

Als nadere aanduiding voor de eenheid der beide geslachten dient, dat in 1316 een Conradus de E'mbrica dictus Rode van Heker met Everhardus de Heker voorkomt onder de getuigen bij de bevestiging der voorrechten van Emmerik door Reynald, zoon van den Graaf van Gelre.

Everardus de Hese schonk eene hoeve bij de oprichting van het klooster Bethlehem bij Doetinchem, hetwelk tusschen 1178 en 1182 moet hebben plaats gehad. In 1231 sluit hij een vergelijk met het kapittel te Emmerik en wordt ridder genoemd. Zijn zoon Stephanus Miles de'Hese (dus Heer van Hese of Ese) komt nog in 1273 als getuige voor.
Vermoedelijk was het diens zoon, dien men in 1277 Fredericus de Hesa en in 1279 Fredericus de Hykere dictus de Heza genoemd vindt, terwijl deze denkelijk de vader was van Fredericus de Hekere, nog knape in 1295, ridder in 1305, van 1318 tot 1320 herhaaldelijk vermeld als Frederik van Eze of de Esa en Vredericus van Hekeren.
Hij moet nog in 1320 overleden zijn, want in dat jaar was zijne vrouw Mechteld weduwe. Zijne dochter Lutnalda huwde Herbord, Heer van Putten, en zijn zoon Frederik was degeen met wien de groote strijd der Heeckerens en Bronckhorsten begon.

Deze Frederik werd gewoonlijk van der Ese genoemd, doch dat hij een Heecker en was blijkt uit het zegel, dat door hem in 1333 bij de huwelijksvoorwaarden van Gerard van Gulik en Margaretha van Gelre gebruikt werd en het kruis vertoonde met het omschrift: S. Frederici d' Hekere militis.
Hij was een machtig en krijgshaftig edelman en bewees aan den minderjarigen Hertog Reynald III belangrijke diensten, doch geraakte diep betrokken in de partijen van dien tijd, die zich allengs naar hunne aanvoerders Gijsbrecht van Bronckhorst en Frederik van Heeckeren begonnen te noemen. Gijsbrecht die in oorlog geraakt was met Jan van Arkel, den Bisschop van Utrecht, zocht steun bij Hertog Reynald en de Bisschop verstond zich met Frederik, wien hij de verdediging van het tot het Sticht behoorende Overijssel opdroeg.
Reeds in 1349 kwam het tot een bestand tusschen de krijgvoerende partijen, waarop Frederik den Bisschop 42.200 oude schilden voor oorlogskosten in rekening bracht en nog 13.000 wegens het afslaan der aanvallen van eenige Munstersche edelen. De Bisschop vond die rekening te hoog en kon haar althans niet voldoen, zoodat hij aan Frederik geheel Overijssel in pandschap moest geven. In 1354 werd de vordering tot een verminderd bedrag vereffend.

 

Hertog Reynald, die tot dusverre onder den invloed van de Bronckhorsten en van zijn oom Koning Eduard III van Engeland gestaan had, bevond zich bij dezen in het kamp voor Calais, maar verliet dit heimelijk, keerde naar Gelderland terug en wierp zich in de armen der Heeckerens, hetgeen de Bronckhorsten zoozeer vertoornde dat zij zijn jongeren broeder Eduard in zijne eischen op een deel van het vaderlijk gebied gingen ondersteunen. Hieruit ontstond in 1350 die meermalen aangehaalde oorlog der Heeckerens en Bronckhorsten, die eene zee van rampen over Gelderland uitstortte en, nu en dan tijdelijk afgebroken door een bestand, dertig jaren lang het gewest teisterde.

Frederik van Heeckeren of van der Ese beleefden het einde niet, want hij overleed in 1357, waarschijnlijk te Zutphen. Uit zijn huwelijk met eene van Honnepel had hij een oudsten zoon, Frederik, die de stamvader van het geslacht van Rechteren werd; een tweeden, met name Evert, die met Beatrix of Bate van Almelo, erfgename van de heerlijkheid Almelo, huwde en wiens nakomelingschap in het laatst der 15e eeuw uitstierf; en een derden, Johan, die slechts een zoon Evert naliet, welke in zijn huwelijk geen kinderen verwekte en na den dood zijner vrouw geestelijke werd.

 

Met den enkelen naam Hekeren vindt men het eerst Everhar dus Miles de Hekeren (alzoo Heer van Hekeren), die, volgens eene verklaring van Otto Graaf van Gelre en Zutphen van 25 Mei 1236 goederen gelegen te Keppel aan het klooster Bethlehem geschonken had.
Nog heeft men Hekeren van Wissink en Hekeren van Winckelhusen, allen uitgestorven takken, uit welke verscheidene leden ridder waren.
Voor zooverre de filiatie vast te stellen was vindt men die in de verhandeling van den heer DE HAAS, blz. 30-48.

 

De stamvader van alle thans levende personen van dit geslacht is Jacob van Heker of van Hekeren, wiens moeder volgens haar wapen uit het geslacht van Strunckede of van Malsburg is geweest 2). Onzeker is het van welke Hekerens hij zelf afstamde; doch daar hij met Jan van Hekeren van Wissink telkens in aanraking was en op den besten voet stond, is het aan te nemen dat zij bloedverwanten waren. Hij komt het eerst in 1380 voor met dien Jan, als zij met verscheidene anderen Kampen ontzeggen, en koopt van hem in 1420 de heerlijkheid Roderlo.
In 1418 bezegelde hij uit de Ridderschap van Zutphen het verbond der ridderschap en steden van Gelderland.

Hij was tweemaal geh., eerst tusschen 1404 en 1412 met Bertha van Ampsen, die hem geene kinderen schonk, en vervolgens in 1428 met Elisabeth van Keppel genaamd Oelde, en moet in of vóór 1440 gestorven zijn, toen zijn onmondige eenige zoon uit het tweede huwelijk, Evert, met Roderlo beleend werd. Deze genoot een groot aanzien, gelijk blijkt uit de oorkonden waarbij hij als getuige of bezegelaar voorkomt en was een ijverig verdediger van het Geldersche stamhuis tegen de Bourgondische en Oostenrijksche annexatieplannen.
Uit zijn huwelijk, in 1448 gesloten met Eilarda van Methelen, vrouwe van Nettelhorst, had hij een zoon, niet name Jacob, heer van Roderlo, in 1482 bij het beleg van IJsselstein gevangen genomen, in 1508 overleden. Bij zijne eerste echtgenoote, eene van Vorden, had deze geene kinderen, maar bij zijne tweede, Aleid van Keppel, een zoon Evert, die onmondig in 1509 met Ruurlo, in 1510 met Nettelhorst beleend werd, in 1538 op een landdag te Kleef compareerde en in 1562 stierf. Uit zijn huwelijk met Agnes Hacfort sproten dertien kinderen, van welke Evert (met wien de spelling Heeckeren gebruikelijk wordt) den stam voortzette. Hij was heer van Nettelhorst, werd in 1559 tot raad in het Hof van Gelderland benoemd en huwde in 1564 Johanna van Erp (van het Noordbrabantsche geslacht met het geblokt St.-Andrieskruis).
Hun zoon Walraven, heer van Nettelhorst en Enghuizen, luitenant-kolonel en daarna in de Ridderschap van Zutphen, in 1626 landdrost van de Graafschap Zutphen, welk ambt hij in pandschap had, overleed in October 1645. Tweemaal trad hij in het huwelijk; zijne eerste vrouw, Agnes van Aeswijn, schonk hem slechts twee dochters; bij zijne tweede, Walburg van Lynden, had hij een eenigen zoon Evert, heer van Nettelhorst, Enghuizen en Barlham, lid van de Ridderschap van Zutphen, landdrost van Zutphen in 1645, gecommitteerde tot de Groote Vergadering van 1651 , extra-ordinaris raad in het Hof van Gelderland in 1658, extra-ordinaris gecommitteerde ter Staten-Generaal in 1671 , overl. 23 April 1680.

Uit zijn huwelijk met Maria Torck sproten vooreerst Walraven, heer van Nettelhorst, geb. in 1643, landdrost van Zutphen, lid der Ridderschap van Zutphen, gecommitteerde ter Staten-Generaal, hoofdschout van de stad en meyerij van den Bosch, gezant aan het Zweedsche Hof en aan verscheidene Duitsche hoven, ongeh. te Osnabruck overl. 21 Aug. 1701, en voorts Robbert en Jacob Derk, die twee liniën stichtten waaruit alle tegenwoordige leden van het geslacht afstammen en die wij ter bevordering van een goed overzicht met I. en II. zullen aanduiden.

 

I.

 

Robbert van Heeckeren (zoon van Evert van Heeckeren en van Maria Torck), heer van Enghuizen en Barlham, gedoopt te Zutphen 7 Dec. 1650, overl. 16 Nov. 1699, was lid der Ridderschap van Zutphen, gedeputeerde uit dat kwartier, extra-ordinaris raad in het Hof van Gelderland en curator der akademie te Harderwijk. Uit zijn huwelijk met Anna Wilhelmina Cecilia van Keppel, vrouwe van Molecaten en Kamferbeek, sproten:
A. Evert en
B. Ludolf Hendrik Burchard Silvius.

 

A. - Evert van Heeckeren (zoon van Robbert van Heeckeren en van A. W. C. van Keppel), heer van Nettelhorst en Molecaten, geb. te Zutphen 12 Jan. 1693, lid der Ridderschap van Zutphen en gecommitteerde ter Generaliteits-Rekenkamer, huwde Jacoba Judith Isabella van Rechteren, waaruit twee zonen:
1. Adolf Jacob Hendrik, en
2. Reinhard Burchard Willem.

 

1. Adolf Jacob Hendrik van Heeckeren, heer van Nettelhorst, Batingen en Clooster, geb. 11 Sept. 1715, overl. 15 Sept. 1765, lid der Ridderschap van Zutphen, gedeputeerde uit dat kwartier, extra-ordinaris gecommitteerde ter Staten-Generaal en gecommitteerde in de admiraliteiten van Friesland en van Amsterdam, geh. met Petronella Reiniera van Lintelo. Uit dit huwelijk de volgende zonen:
a. Evert Christiaan Carel Willem van Heeckeren, heer van Nettelhorst, Batingen en Clooster, geb. 30 Aug. 1744, overl. 10 Sept. 1816, burgemeester van Lochem en Groenlo, lid der Ridderschap van Zutphen, extra ordinaris gedeputeerde van dat kwartier, gecommitteerde tot de Generaliteits-Rekenkamer, de Staten-Generaal en de admiraliteiten van Friesland en van de Maas. Bij organiek besluit van 28 Aug. 1814 werd hij in de Ridderschap van Gelderland geadmitteerd. Uit zijn huwelijk met Henriette Seyne van Wassenaer (dochter van Willem, luitenant-admiraal van Holland, en van Johanna van Wijhe) liet hij kinderen na.

b. Frederik Jan Willem Robbert van Heeckeren, heer van Overlaer en Bisselt, geb. in 1745, overl. 25 Juli 1815, lid der Ridderschap van Zutphen, ordinaris raad in het Hof van Gelderland, gecommitteerde in de admiraliteit van Friesland, geh. met Sophia Geertruida Florentina Gravin van Rechteren, waarvan kinderen. Hij werd in de Ridderschap van Gelderland geadmitteerd bij het organiek besluit van 28 Aug. 1814, te gelijk met zijn oudsten zoon: Adolf Jacob Hendrik Christiaan Carel van Heeckeren, heer tot Overlaer en Old-Oolde, geb. 8 Maart 1771, overl. 24 Sept. 1846, vroeger lid der Ridderschap van Zutphen, ridder der Duitsche Orde Balije van Utrecht, geh. met Gerritdina Straalman.

c. Maurits Carel George Willem van Heeckeren, heer van de Heest, geb. 15 Feb. 1752, overl. 13 Oct. 1827, ontvanger-generaal der Graafschap Zutphen, kommandeur der Duitsche Orde Balije van'Utrecht, geadmitteerd in de Ridderschap van Gelderland bij organiek besluit van 7 Oct. 1814. Hij was tweemaal geh.: 1e met Judith Catharina Margaretha Idaletta Mulert, en 2e  met Henrietta Seyna Sophia von Morrien, en liet slechts uit het eerste huwelijk kinderen na.

d. Willem Robbert Jan Walraven van Heeckeren, heer van Marhulsen, geb. 28 Maart 1754, kolonel bij de gardes du corps van den Prins van Oranje. Hij werd bij organiek besluit van 28 Aug. 1814 in de Ridderschap van Gelderland geadmitteerd en overleed ongehuwd 19 Juni 1830.

 

2. Reinhard Burchard Willem van Heeckeren, heer van Molecaten, geb. 25 Mei 1721, overl. 29 April 1799, luitenant-generaal der kavalerie, eerst kommandant van Zutphen en later gouverneur van Sluis, liet na uit zijn huwelijk met Henrietta van Lintelo:

a. Evert Willem van Heeckeren, heer van Molecaten, geb. 24 April 1760, generaal-majoor, kommandant van Zutphen, geh. met Anna Maria van de Spiegel (dochter van den raadpensionaris Laurens Pieter van de Spiegel), doch kinderloos overl. 14 Sept. 1819. Hij was bij organiek besluit van 28 Aug. 1814 in de Ridderschap van Gelderland geadmitteerd.

b. Robbert August Adolf Maurits Carel van Heeckeren, heer van Molecaten, geb. 7 Juni 1770, overl. 25 Dec. 1838, luitenant-kolonel der infanterie, later commies-generaal der convooien en licenten en ontvanger particulier te Zutphen, kommandeur der Duitsche Orde. Hij werd in de Ridderschap van Gelderland geadmitteerd bij organiek besluit van 7 Oct. 1814 en was geh. met Charlotta Alexandrina van Westerholt, waarvan kinderen.

 

B. - Ludof Hendrik Burchard Silvius van Heeckeren (zoon van Robbert van Heeckeren en van A. W. C. van Keppel), heer van Kamferbeek, Wierse, Waliën en Kemnade, geb. 14 Juli 1696, overl. 7 Nov. 1762, burgemeester van Groenlo, richter van stad en ambt Doesburg, lid der Ridderschap van Zutphen, bewindhebber der Oost-Indische Compagnie, gecommitteerde ter Staten-Generaal en ter admiraliteit van Friesland. Uit zijn eerste huwelijk met Susanna Johanna Everdina Valck (dochter van Adriaan Balthasar, burgemeester van Zutphen), sproten:
1. Robbert Jacob, en
2. Evert Ludolf.
Zijn tweede huwelijk, met Willemina Frederika van Wijhe, bleef kinderloos.

 

1. Robbert Jacob van Heeckeren, heer van de Wierse en Kamferbeek, geb. 10 Aug. 1729, overl. 22 Maart 1795, liet uit zijn huwelijk met Maria Philippina Ernestina van Voerst na:

Ludolf van Heeckeren, heer van de Wierse, gedoopt 4 Mei 1755, overl. n Juli 1841 , burgemeester van Lochem, ambtman van Grave en den lande van Cuyck, hoofdschout van Borculo en daarna districts-commissaris in Gelderland. Hij werd bij organiek besluit van 28 Aug. 1814 in de Ridderschap van Gelderland geadmitteerd en was geh. met Margaretha Schimmelpenninck van der Oye, waarvan kinderen.

 

2. Evert Ludolf van Heeckeren, heer van Waliën en Kemnade, geb. 22 Juni 1736, ridmeester bij de gardes du corps van den Prins van Oranje, later burgemeester van Doesburg en Zutphen, was geh.: 1e met Agnes Adriana Lubbertina van Heeckeren van Brandsenburg en 2e met Margaretha Reiniera van Haeften. Bij zijn overlijden op 23 Juni 1804 liet hij uit zijn eerste huwelijk na:

a. Ludolf Frederik Hendrik van Heeckeren tot Waliën, geb. 12 Juli 1758, overl. 1 Jan. 1798, na 1795 representant van Zutphen, die bij zijne echtgenoote Coenradina Anna van Haersolte vader was van:

Mr. Evert Ludolf van Heeckeren tot Waliën, geb. 30 Nov. 1784, overl. te Curacao 15 Juni 1838, officier van justitie te Zutphen, later procureur-generaal in West-Indië en eindelijk gouverneur-generaal der Nederlandsche West-Indische bezittingen, bij organiek besluit van 7 Oct. 1814 in de Ridderschap van Gelderland geadmitteerd. Hij huwde: 1e Petronella Susanna Helena Lulofs, en 2e Henriette Elisabeth Ising. Alleen uit de eerste echtverbintenis sproten kinderen.

b. Walraven Robbert Evert van Heeckeren tot Waliën, geb. 12 Juli 1759, overl. 21 Sept. 1833, edelman van de kamer en secretaris van Prins Willem V, kolonel bij diens gardes du corps met rang van generaal-majoor, geadmitteerd in de Ridderschap van Gelderland bij organiek besluit van 28 Aug. 1814. Hij was geh. met Amoena Sophia Frederika Gravin van Gronsfeld-Diepenbroick en had kinderen.

 

II.

 

Jacob Derk van Heeckeren (zoon van Evert van Heeckeren en van Maria Torck), heer van Barlham en later van Enghuizen, Roderlo, Cloese, Langen en Brandsenburg, gedoopt 19 Dec. 1665, overl. 22 April 1749, burgemeester van Zutphen, raad en rekenmeester van Gelderland, lid der Ridderschap van Zutphen en voorzitter van Gedeputeerde Staten. Van zijne kinderen uit zijn huwelijk met Heilwich Charlotta van Lynden komen hier in aanmerking:
A. Frans Jan,
B. Assueer, en
C. Walraven Robbert.

 

A. - Frans Jan van Heeckeren (zoon van Jacob Derk van Heeckeren en van H. C. van Lynden), heer van Enghuizen, Beurse, Cloese, Langen en Suideras, geb. in 1694, overl. 12 Mei 1767, lid der Ridderschap van Zutphen, gedeputeerde uit dat kwartier, gecommitteerde ter Staten-Generaal, ter admiraliteit van Friesland en van de Maas, burgemeester van Doetinchem, landrentmeester-generaal van Gelderland, curator der akademie te Harderwijk, huwde Transisalania Charlotta Juliana Agnes Adelheid van Rechteren, en had zestien kinderen. De oudste der zonen:

Jacob Adolf van Heeckeren, heer van Enghuizen, Beurse, Cloese en Langen, geb. 6 Juli 1724, was lid der Ridderschap van Zutphen, president van Gedeputeerden uit dat kwartier, raad in het Hof van Gelderland, scholtus binnen en buiten Zutphen, landrentmeester-generaal van Gelderland, gecommitteerde ter Staten-Generaal, burgemeester van Doetinchem en curator van de akademie te Harderwijk 3). Bij zijn overlijden op 20 Feb. 1792 liet hij uit zijn huwelijk met Charlotta Alexandrine van Westerholt o.a. na:

1. Evert Frederik van Heeckeren, heer van Enghuizen en Beurse, geb. 23 Dec. 1755, majoor, kommandeur der Duitsche Orde, lid der Ridderschap van Zutphen, gecommitteerde ter Staten-Generaal en na 1815 lid van de Eerste Kamer, onder Koning Lodewijk lid van den Staatsraad, bij organiek besluit van 28 Aug. 1814 geadmitteerd in de Ridderschap van Gelderland, overl. 13 Jan. 1831. Hij was geh. met Henriette Jeannette Susanna Marie Gravin van Nassau la Lecq, vrouwe van Beverwaard en Odijk, en had o. a.:

a. Hendrik Jakob Carel Johan van Heeckeren van de Beurse, heer van Enghuizen, Beverwaard en Odijk, geb. 6 Dec. 1785, overl. 19 Mei 1862, luitenant-kolonel der kavalerie, lid der Eerste Kamer, geadmitteerd in de Ridderschap van Gelderland bij organiek besluit van 16 Maart 1816. Uit zijn huwelijk met Elisa Williams Hope sproten kinderen. Zijn kwartierstaat bevindt zich in de Genealogische Kwartier staten van Nederlandsche Geslachten.

b. Jacob Derk Burchard Anne van Heeckeren, geb. 30 Nov. 1791 , eerst zee-officier en later gezant te St. Petersburg en Weenen, minister van staat. Onder dagteekening van 5 Mei 1836 nam hij George Charles Baron d'Anthès tot zoon aan 4).

2. Lodewijk van Heeckeren, heer van de Cloese en Langen, geb. 6 Sept. 1768, kapitein der infanterie en later lid der Ridderschap van Zutphen, edelman van Prins Willem V, onder Koning Lodewijk lid van het Wetgevend Lichaam en opperjagermeester, onder Koning Willem I opperjagermeester en opperhoutvester in de noordelijke provinciën, buitengewoon lid der Tweede Kamer in 1815, kamerheer des Konings. Hij werd bij organiek besluit van 28 Aug. 1814 in de Ridderschap van Gelderland geadmitteerd en overleed 19 Nov. 1831. Bij zijne echtgenoote Jacoba Catharina Petronella du Tour had hij kinderen.

 

B. - Assueer van Heeckeren (zoon van Jacob Derk van Heeckeren en van H. C. van Lynden), heer van Roderlo, geb. in 1699, overl. 13 Oct. 1767, burgemeester van Zutphen, raad en rekenmeester van Gelderland, gecommitteerde ter Staten-Generaal en ter Generaliteits-Rekenkamer, curator van de akademie te Harderwijk, huwde Henrietta Johanna Elisabeth Agatha Walrave van Laer, vrouwe van Keil, Rees, Engelenburg en Lichtenberg.

Zijn zoon:

Jacob Derk Carel van Heeckeren, heer van Roderlo, Lichtenberg en Keil, geb. 31 Oct. 1730, overl. 11 Juli 1795, was lid der Ridderschap van Zutphen, ridder der Duitsche Orde Balije van Utrecht, burgemeester van Groenlo en Zutphen, extra-ordinaris raad in het Hof van Gelderland, gecommitteerde ter Staten-Generaal en in den Raad van State, scholtus binnen en buiten Zutphen, landdrost van Zutphen, opperstalmeester van den Prins van Oranje, curator der akademie te Harderwijk. Hij huwde Johanna Juliana van Wassenaer (dochter van Pieter, heer van Starrenburg, en van Anna Arnoldina van den Boetzelaer) en had tot zoon:

Willem Hendrik Alexander Carel van Heeckeren, heer van Roderlo en Keil, geb. 12 Aug. 1774, overl. 24 Juli 1847, lid der Tweede Kamer, gouverneur van Gelderland, minister van staat, kommandeur der Duitsche Orde, geadmitteerd in de Ridderschap van Gelderland bij organiek besluit van 28 Aug. 1814. Uit zijn huwelijk met Geertruida Sara Agatha van Pabst (dochter van Johan Maurits, heer van Bingerden en Wolfswaard, en van Sara Agatha Hop) sproten, behalve zes dochters, de volgende twee zonen:

1. Jacob Derk Carel van Heeckeren, heer "van Nettelhorst en Borculo, geb. 8 Feb. 1809, overl. 7 Nov. 1875, lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal en opperstalmeester des Konings (zie zijn kwartierstaat in de Genealogische Kwartier staten van Nederlandsche Geslachten) Hij huwde 14 Dec. 1831 Maria Cornelia Gravin van Wassenaer, vrouwe van Wassenaer, Twickel, Lage, Weldam, Dieren, Kernhem, Nettelhorst, Obdam, Spierdijk en Wogmeer, laatste afstammelinge van Jacob van Wassenaer, die in 1711 den titel van Graaf des H. R. Rijks had verkregen. Zij overleed kinderloos 31 Maart 1850, na bij testamentaire dispositie tot erfgenaam van al hare bezittingen haren echtgenoot benoemd te hebben, die daarop den naam van Heeckeren van Wassenaer aannam.

Hij trad 6 Mei 1852 voor de tweede maal in het huwelijk, en wel met Isabella Antoinetta Sloet van Toutenburg.

Uit deze verbintenis sproten:

a. Maria Cornelia van Heeckeren van Wassenaer, geb. 13 Jan. 1855, geh. met Willem Karel Philip Otto Graaf van Aldenburg-Bentinck, heer van Middachten (zoon van Karel Antonie Ferdinand, heer van Middachten, en van Carolina Mechteld Emma Charlotte Christine Louise Gravin van Waldeck-Pyrmont) ;

b. Carel George Unico Willem van Heeckeren van Wassenaer, geb. 4 Oct. 1856, heer van Wassenaer, Twickel en Lage;

c. Rodolphe Frédéric van Heeckeren van Wassenaer, geb. 15 Mei 1858, heer van Dieren, Nettelhorst, Borculo en Kernhem.

Deze tak van Heeckeren van Wassenaer voert als hartschild op het kruis van van Heeckeren het gevierendeelde wapen van Wassenaer, en tot wapenspreuk: Mutando non mutor, die der Graven van Wassenaer.

2. Willem van Heeckeren, heer van Roderlo, Bingerden en Keil, geb. 3 Juli 1815, lid van Gedeputeerde Staten van Gelderland, directeur van het Kabinet des Konings, minister van buitenlandsche zaken, lid der Tweede Kamer, geh.: 1e met Sophia Johanna Justina Taets van Amerongen, en 2e met Albertina Maria van Limburg-Stirum.

 

C. - Walraven Robbert van Heeckeren (zoon van Jacob Derk van Heeckeren en van H. C. van Lynden), heer van Brandsenburg en Barlham, geb. in 1704, overl. 15 Juni 1758, burgemeester van Groenlo, lid der Ridderschap van Zutphen, extra-ordinaris raad in het Hof van Gelderland, houtvester der Graafschap, gecommitteerd ter Staten-Generaal en ter Generaliteits-Rekenkamer, scholtus van Zutphen. Zijne eerste echtgenoote was Johanna Sophia von dem Bussche von Hünnefeld, zijne tweede Barbara Elisabeth de la Fontaine. Uit beide echtverbintenissen had hij kinderen, van welke hier in aanmerking komen: 1. Jacob Christiaan Maria Evert Albrecht (uit het eerste huwelijk), en 2. Derk Jan (uit het tweede huwelijk).

 

1. Jacob Christiaan Maria Evert Albrecht van Heeckeren, heer van Barlham en Kruisberg, gedoopt te Zutphen 15 April 1736, overl. 4 Juli 1780, lid der Ridderschap van Zutphen, geh. met Geertruid Elisabeth Crommelin (dochter van Wigbold, gouverneur van Suriname). Zijn zoon:

Walraven Robbert Jacob Derk van Heeckeren, geb. 22 Feb. 1779, overl. 29 Jan. 1837, grietman en opperstrandvonder op Ameland, had uit zijn huwelijk met Maria Catharina Dees o. a.:

Daniel Wigbold Crommelin van Heeckeren, geb. 1 Jan. 1811, burgemeester, secretaris en opperstrandvonder van Ameland, geh. met Metha Bakker, waarvan kinderen.

 

2. Derk Jan van Heeckeren, heer van Brandsenburg en Boelesteyn, geb. 14 Jan. 1742, overl. 7 Feb. 1796, kanunnik van St. Jan te Utrecht, geëligeerde tot de Staten van Utrecht, gecommitteerd ter Staten-Generaal, gezant aan de hoven van Spanje en Rusland, geh. met Anna Petronella van Heemskerck.

De havezathe Brandsenburg werd door zijn hier onder volgenden zoon Walraven Robbert verkocht, met voorbehoud van den titel.
Al de nakomelingen van Derk Jan namen bij den naam van Heeckeren ook dien van Brandsenburg aan.

Uit het huwelijk van Derk Jan van Heeckeren met Anna Petronella van Heemskerck sproten:

a. Walraven Robbert van Heeckeren van Brandsenburg, heer van Brandsenburg en Boelesteyn, geb. 19 Nov. 1776, overl. 23 Juli 1845, burgemeester van Utrecht, lid der Tweede Kamer. Bij organiek besluit van 28 Aug. 1814 werd hij in de Ridderschap van Utrecht geadmitteerd. Uit zijn huwelijk met Johanna Petronella van Renesse van Wilp liet hij kinderen na.

b. Willem Anthony Hendrik van Heeckeren van Brandsenburg, geb. 25 Feb. 1779, overl. 20 Jan. 1828, lid van Gedeputeerde Staten van Utrecht, in 1826 toegelaten in de Ridderschap van Utrecht, tweemaal geh.: 1e met Cornelia Sara van Renesse van Wilp en 2e met Jeanne Dorothea Barchman Wuytiers. Uit beide huwelijken kinderen (men vindt in de Genealogische Kwartier staten van Nederlandsche Geslachten den kwartierstaat van zijn kleinzoon Francois Louis, geb. 21 Oct. 1831, controleur bij de cultures in Indië, geh. met Johanna Daniela van Voorst van Beest).

c. Derk Jan Gideon van Heeckeren van Brandsenburg, geb. n Aug. 1783, overl. 10 Aug. 1851, controleur der posterijen, geh. met Anna Elisabeth van Beek, waarvan nakomelingen.

d. Frans Jan van Heeckeren van Brandsenburg, geb. 4 Dec. 1784, overl. 22 Jan. 1846, waardijn van 's Rijks munt te Utrecht, geh. met Cornelia Adriana Voorduyn, waarvan kinderen.

e. Carel Hendrik Augustus van Heeckeren van Brandsenburg, geb. 25 Maart 1787, overl. 24 Dec. 1836, geh. met Anna Maria Straalman, die hem kinderen schonk. Bij organiek besluit van 28 Maart 1815 werd hij geadmitteerd in de Ridderschap van Utrecht.

 

Aan al de wettige leden van het geslacht van Heeckeren is bij Koninklijk besluit van 26 Feb. 1819 de titel van Baron en Barones toegekend.
Bij Koninklijk besluit van 19 Sept. 1865 werd dit nog- eens toepasselijk verklaard op de afstammelingen van Walraven Robbert Jacob Derk van Heeckeren, grietman en opperstrandvonder op Ameland, overl. 29 Jan. 1837 (zie hierboven onder C, 1).

 

NOTEN

1. Geplaatst in de Heraldieke Bibliotheek, Nieuwe Reeks, Deel IV (1881), blz. 1 en volgg.

 

2. Beide wapens bezitten eene groote overeenkomst:
Strunckede: doorsneden: 1. in goud een halve roode leeuw; 2. in groen drie zilveren rozen;
Malsburg: doorsneden: 1. in goud een gaande roode leeuw; 2. in blauw drie zilveren rozen.
Het helmteeken zou kunnen beslissen, indien dit op de zegels afgebeeld was. Dat van Strunckede bestaat uit eene muts getopt door een pauwenstaart, dat van Malsburg uit een gekroonden en aanziende geplaatsten bok, die menschenarmen in plaats van voorpooten heeft.

 

3. Zijn jongste broeder was August Robbert van Heeckeren, heer van Suideras, geb. 31 Juli 1743, lid der Ridderschap van Zutphen, raad in het Hot van Gelderland, rekenmeester van dat gewest, burgemeester van Groenlo en later van Zutphen, drost van Borculo, gecommitteerde ter Staten-Generaal en ter admiraliteit van Amsterdam, scholtus binnen en buiten Zutphen. Hij behoorde tot de warme voorstanders van den Prins van Oranje en had deswegens veel vervolging te verduren. In 1799 trachtte .hij eene tegenomwenteling te bewerken, hetgeen mislukte. Hij overleed te Zutphen 7 Oct. 1811. Uit zijn huwelijk met Aleida Jacoba van Westrenen sproot slechts eene dochter Charlotta Sophia, die in den echt trad met Roelof

Wolter Harmen van Broeckhuysen, te Harderwijk (Zie hiervoren het artikel van Broeckhuysen)

 

4. Tot aanvulling van het artikel d'Anthès hiervoren kan het volgende dienen, ontleend aan de verhandeling van den heer w. DE HAAS over het geslacht van Heeckeren:

George Charles Baron d'Anthès, geb. te Colmar 5 Feb. 1812. Bij adoptie en Koninklijk besluit werd hem vergund den naam van van Heeckeren aan te nemen. Hij was eerst officier bij de gardes van Karel X, Koning van Frankrijk, later bij de gardes van de Keizerin van Rusland en doodde 1837 den Russischen dichter Pushkin, zijn zwager, in een tweegevecht. Na dat ongeval zette hij zich in den Elzas neder en was 1848 lid van de nationale vergadering in Frankrijk en in 1852 senator van het Fransche Keizerrijk. Hij huwde N. Gantzareff, waarbij:

a. Mathilde, huwt 1861 Louis Metman, Fransch divisie-generaal;

b. N. N., huwt N. Vandal, gedurende het tweede Fransche keizerrijk staatsraad en directeur-generaal der posterijen;

c. George van Heeckeren, ridmeester in Fransche dienst.

 

 

Uit:
- WAPENBOEK VAN DEN NEDERLANDSCHEN ADEL met Genealogische en Heraldische aanteekeningen  door J. B. Rietstap. Te Groningen bij J. B. Wolters, Deel I 1883, blz 162-167, plaat 35.

 

A = Adellijk wapen

 

© WAZAMAR
sinds 1995

Hoewel er naar gestreefd is correcte informatie te verschaffen, kan niet worden gegarandeerd dat de informatie op het moment waarop deze is geplaatst na verloop van tijd nog steeds juist is. Aan de inhoud van deze webhalte kunnen dan ook geen rechten worden ontleend.